Ten slotte zijn er gevallen waarin het onderwijs - vaak onbewust en natuurlijk zonder slechte bedoelingen - bijdraagt aan de armoedeproblematiek die speelt bij kinderen en ouders. Dit gaat over de schoolkosten. Wellicht is dit niet iets waar je als docent direct iets aan kunt doen, maar het is wel belangrijk dat je weet dat dit kan spelen.
Vrijwillige ouderbijdrage
Het begint met de vrijwillige ouderbijdrage. Dit is een vrijwillige financiële bijdrage van ouders aan de school van hun kind die besteed wordt aan extracurriculaire activiteiten, zoals een schoolreisje, kerstdiner of sportdag. Gebleken is dat deze vrijwillige ouderbijdrage kansenongelijkheid vergroot, voornamelijk omdat ouders deze helemaal niet als vrijwillig ervaren. Dat heeft verschillende gevolgen.
Ten eerste werkt het de scholensegregatie in de hand. Omdat de hoogte van de ouderbijdrage sterk verschilt per school kiezen sommige ouders er bewust voor om hun kind niet naar een school te sturen met een hoge ouderbijdrage (VO-Raad, 2020). Daardoor ontstaan er scholen met overwegend rijkere ouders en scholen met overwegend armere ouders. Dit leidt, indirect, weer tot een groter aantal scholen waarop relatief veel leerlingen zitten die opgroeien in armoede. Deze centralisering van problematiek is zwaar voor het schoolteam en kan een negatieve invloed op de prestaties van leerlingen hebben.
Daarnaast komt het voor dat leerlingen die schoolactiviteiten niet kunnen betalen niet meedoen, soms zonder dat de school zich hiervan bewust is. In een poging onder de ouderbijdrage uit te komen, kan het zo zijn dat ouders smoesjes verzinnen zoals “mijn kind heeft heimwee” of “we hebben dan iets anders”. Hoe het ook opgelost wordt door de ouders, het is voor de kinderen in kwestie natuurlijk een nare ervaring. Niet mee kunnen doen draagt bij aan sociale uitsluiting en het gevoel anders te zijn dan klasgenoten, iets waar kinderen die in armoede opgroeien sowieso meer last van hebben (de Kinderombudsman & het Verwey-Jonker instituut, 2018).
Op 1 augustus 2021 is er een nieuwe wet ingegaan die bepaalt dat kinderen nooit meer uitgesloten mogen worden van schoolactiviteiten (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2021). Elk kind moet mee kunnen doen aan schoolactiviteiten, zowel als het gaat om kortdurende extracurriculaire activiteiten (introductiekamp, sportdag, kerstviering) als om langdurige extracurriculaire activiteiten (de debatclub, huiswerkbegeleiding, tweetalig onderwijs, schoolreizen).
De nieuwe wet is een goede ontwikkeling, maar hierbij is het wel belangrijk om twee dingen in het achterhoofd te houden. Allereerst zijn veel ouders niet op de hoogte van de nieuwe wet (Eck & Goldenberg, 2022). Dat betekent dat er vanuit docenten goed gecommuniceerd moet worden dat de bijdrage die vanuit school gevraagd wordt daadwerkelijk vrijwillig is zodat dit voor alle ouders duidelijk is. Daarnaast heeft het ook een ander- minder positief - gevolg, namelijk dat de budgetten van scholen om extra activiteiten te organiseren zullen afnemen of op een andere manier gefinancierd moet worden. Het zou zonde zijn als de nieuwe wet ten koste gaat van extra buitenschoolse activiteiten, aangezien juist het vergroten van de wereld van kinderen uit lagere sociaal economische milieus zo belangrijk is.
Overige kostenposten
Schoolkosten die voor de rekening van ouders komen, houden niet op bij de vrijwillige ouderbijdrage. Er zijn veel meer dingen die ouders voor hun kinderen moeten financieren. Denk aan atlassen, woordenboeken, agenda’s, grafische rekenmachines, sportkleding, gereedschap en praktijkkleding. Dan zijn er nog de meer verborgen kosten, zoals het maken van een surprise, het trakteren op je verjaardag, fruit meenemen naar school en een fiets of het OV om naar school te komen. En, ten slotte, de steeds vaker verplichte laptop of een tablet.
Scholen zijn sinds de ingang van de nieuwe wet verplicht om een volwaardig alternatief te bieden als ouders elektronische hulpmiddelen zoals een laptop of tablet niet kunnen aanschaffen. Maar niet alle ouders zullen dit weten of hierom willen of durven vragen. Alle andere besproken kosten blijven wettelijk gezien de verantwoordelijkheid van ouders, maar er zijn gezinnen waarin hier simpelweg te weinig geld voor is. Kinderen kunnen hier het slachtoffer van worden, zeker als dit niet gesignaleerd of onjuist geïnterpreteerd wordt.
Misschien maakt een leerling zijn topografiehuiswerk wel nooit omdat er geen Bosatlas thuis is, of kan het wiskundehuiswerk niet gemaakt worden omdat de grafische rekenmachine ontbreekt. Als onderwijskracht en als deel van het schoolteam moet je, helaas noodgedwongen, nadenken over oplossingen voor gevallen waarin het geld er niet is. En daarbij kan het niet zo zijn dat - zoals bij juf Jolanda en Anyssa- alle middelen uit eigen zak van de juf of meester moeten komen. Het is een probleem dat school-, of het liefst natuurlijk maatschappijbreed, moet worden opgelost.
Wat kan het onderwijs doen?
Er zijn de afgelopen jaren talloze handreikingen, toolkits en checklists over armoede verschenen. Het is zonde om het wiel opnieuw uit te vinden, daarom wordt er bij de oplossingen regelmatig doorverwezen naar bestaand materiaal.
Bewustzijn van de oorzaken én gevolgen van armoede
Het op een respectvolle en effectieve manier omgaan met armoede op school en in de klas, begint bij het realiseren wat de omvang van Nederlandse armoedeproblematiek is en wat voor gevolgen opgroeien in armoede kan hebben.
Hoewel er dus honderdduizenden kinderen op dagelijkse basis met armoede te maken hebben, is er ook een aanzienlijke groep mensen die er nooit mee te maken krijgt. Dit zorgt ervoor dat er hoogstwaarschijnlijk veel leerkrachten zijn die advies moeten geven over problemen waar ze zelf geen enkele ervaring mee hebben. Begrijpen wat in armoede opgroeien en leven inhoudt, komt voor hen niet vanzelf. Dit vergt inlezen en inleving.
Maar hoe doe je dat? Allereerst ben je met het lezen van deze kennisbank eventuele verdiepingsbronnen al een goed eind op weg. Vervolgens zou je ervaringsdeskundigen kunnen vragen om hun verhaal te komen vertellen, aangezien persoonlijke verhalen vaak meer indruk dan feiten en cijfers. Luister naar degene die wél ervaring hebben met armoedeproblematiek, of het nou docenten of leerlingen zijn. Of kijk alleen of als team naar Klassen of Schuldig of andere documentaires over armoede en schulden. Deze persoonlijke verhalen op film kunnen hetzelfde effect hebben als wanneer mensen hun verhaal direct aan je vertellen.
Een volgende, belangrijke stap is dat je het er met elkaar over geld, schulden en armoede hebt. Is dat wat je gelezen, gehoord en gezien hebt herkenbaar voor jullie? Zijn er leerlingen op school waar je steeds aan moest denken tijdens het kijken? En zijn er wellicht nieuwe inzichten die je hebt opgedaan? Of leerlingen waarvan je eerder niet dacht dat zij in armoede leven, maar na het inlezen wel? Door het er met elkaar over te hebben, wordt armoede op school een gezamenlijk probleem in plaats van iets dat iedere docent binnen zijn of haar eigen klas zelf moet oplossen.
Probeer ten slotte in dit gesprek met elkaar eens te bedenken welke kwaliteiten er bij opgroeien en leven in armoede horen, zoals bijvoorbeeld vindingrijkheid, veerkracht en bescheidenheid.
Het is een heus organisatorisch en planningsmeesterwerk als je als alleenstaande moeder van drie kinderen ervoor zorgt dat er elke avond eten op tafel staat, de clubjes betaald worden en de huur, elektriciteit en andere vaste lasten gedekt zijn. Armoede is een beladen onderwerp, maar het hoeft niet alleen maar negativiteit met zich mee te brengen. Je dit als team beseffen is belangrijk, omdat er vooroordelen heersen over mensen die in armoede opgroeien. Zorg dat je hier als schoolteam doorheen kunt kijken.